De Romeinen en het bos

Waarom was bos van belang voor de Romeinen?
scherm­afbeelding 2025 11 23 om 21.44.57
Silvanus – Romeinse god van het bos met bijl – download van GoldenTrail.com

De Romeinen hadden een ambivalente houding ten opzichte van bossen. Ze konden genieten van afzonderlijke bomen, die symbool stonden voor het menselijk leven, maar ook voor de vergankelijkheid ervan. In bossages en open bossen was het aangenaam vertoeven. Aan de andere kant hadden bossen ook iets overweldigends en mysterieus dat soms angst inboezemde. Ze waren donker en vaak moeilijk doordringbaar en er huisden goden.

Maar het bos was de vindplaats van hout en dat was een enorm belangrijke grondstof voor de Romeinen. Het werd gebruikt door het leger voor verdedigingswerken, bij de aanleg van wegen, de bouw van bruggen, de bouw van woningen en andere gebouwen en niet in de laatste plaats als stookhout (huizen, thermen, werkplaatsen). De schaal waarop hout werd gebruikt was ongeëvenaard. Alleen al door het omvangrijke leger bestaande uit tienduizenden legionairs.

Toen de Romeinen kort na 20 voor Chr. voor het eerst permanent troepen stationeerden in het gebied van de Nederrijn, bouwden ze hun legerkampen volledig in hout (van Dinther 2017). Er is berekend dat er ongeveer 161.000 m3 bouwhout nodig was om een Romeins fort te bouwen (Shirley 1998). Pas in de loop van de eerste eeuw gingen ze bij de bouw van forten geleidelijk over op steenbouw, al verdween houtbouw nooit helemaal (Peterse 2020).

Voor het verwarmen van de baden in de thermen was al snel een paar ton hout per dag nodig en ook voor de huizen (koken en stoken – ook al had maar een deel vloerverwarming) en voor de werkplaatsen van pottenbakkers en smeden was veel hout nodig (Janssen 2017, Lehar 2017).

Waar haalden Romeinen het hout vandaag?

Het houtgebruik voor militaire constructies langs de Limes is uitgebreid onderzocht en dat heeft interessante inzichten opgeleverd. Forten waren niet de enige structuren van het Romeinse leger. Er werden uitkijktorens gebouwd en er werden kades gebouwd. Aan het einde van de eerste eeuw werd langs de Limes een weg aangelegd, deels met een houten fundering, die de forten met elkaar verbond. De bouwprojecten waren soms zeer grootschalig, zo werd de weg hersteld na de Bataafse opstand in 70 na Christus en in 124/125 voor het bezoek van keizer Hadrianus.

Bij het onderzoek zijn duizenden houtvondsten van Romeinse militaire bouwwerken uitgebreid bestudeerd: welk soort bomen gebruikt werden, leeftijd en kapjaar (via dendrologische analyse van jaarringen), waar ze gekapt en hoe ze vervoerd werden (Van Rijn 2017, Visser 2015). Het onderzoek naar hout onthult dat het bouwhout voor de forten en andere militaire constructies, evenals voor de houten funderingen van de Limes weg, voornamelijk van lokale of regionale oorsprong is. Het spectrum van gebruikte soorten vertoont overeenkomsten met dat van rivierbos op de dijken langs de Rijn. Later werd veel elzenhout gebruikt afkomstig uit elzenbossen die zich waarschijnlijk op de laaggelegen delen van de dijken bevonden, in de uiterwaarden en de venbossen. Aannemelijk is dat het ging om hakhout-bossen die door de mens werden beheerd. Onderzoek naar de aantallen en het patroon van jaarringen liet zien dat een deel van het bouwhout afkomstig was van bossen waar al eerder hout waren geoogst. Voor de omvangrijke renovatie van de Hollandse Limes-weg werd ook verderop hout gehaald uit het gebied tussen Venlo en Xanten (Visser 2025).

Soortgelijk onderzoek van hout uit de dorpen of vici, die zich in de buurt van elk van de forten bevonden, laat zien dat de gebouwen in de vicus ook voornamelijk met lokaal hout werden gebouwd (van Dinther 2017). 

Deden Romeinen ook aan bosbouw?

Romeinse auteurs zoals Theophrastus, Vitruvius, Varro en Columella beschreven methoden voor het kweken en gebruik van planten, waaronder bomen. Ze beschrijven de verschillende toepassingen van hout, tonen een brede kennis van de eigenschappen van verschillende soorten bomen en vermeldden bijvoorbeeld de beste tijd van het jaar voor het kappen van bomen en de verschillende manieren om ze te gebruiken (Castillo 2024). Gebruikshout werd door de Romeinen verdeeld in arbusta – plantages; silvae caeduae (kaphout om te stoken en voor bouw) silvae glandariae, eikelbos om de varkens te voeren. Dat alles wijst op een systematische benadering van bomen en bossen. Voor de Romeinse tijd kan op basis van bewijzen en aanwijzingen de toepassing van vier bosbouwsystemen worden aangetoond: kaalkap, selectie, hakhout en boslandbouw. 

Over het algemeen wordt aangenomen dat de Romeinen op grote schaal kaalkap toepasten niet alleen voor bouw- en brandhout, maar ook om het vrijgekomen land voor landbouw te gebruiken. Omdat bos weliswaar vrijwel overal aanwezig was en vaak omvangrijk, was het geen onuitputtelijke bron. Ook het behouden en vernieuwen van bos kreeg daarom aandacht. Uit de aanwezige bossen werd voor grote werken selectief gekapt. Analyse van houtvondsten van de Romeinse brug in Cuijk laat dat zien. Na het eerste kappen van bomen in de regio om de brug te bouwen rond 347-349 moeten genoeg oudere bomen zijn achtergelaten om een tweede kappen in 368 in hetzelfde gebied mogelijk te maken. De bomen die in 368 werden gebruikt, waren ouder dan twintig jaar en groeiden al in 347, waaruit kan worden afgeleid dat er in 347 enige selectie plaatsvond (Visser 2025). 

Voor het bosbeheer, bijvoorbeeld het selecteren van bomen voor de kap, waren boswachters (saltuarii) aangesteld en in grote bosgebieden werden ook landmeters ingeschakeld.

2001 nenninger romeinse veldmeters2
Bos meetinstructie landmeters – bron: Blume 1848 Die Schriften der Römischen Feldmesser

Wanneer op grote schaal moest worden gekapt, bijvoorbeeld voor (militaire) vestigingen of wegen, werd dit ook gedaan door legereenheden. De organisatie van de houtvoorziening voor zo’n project was hoogstwaarschijnlijk in handen van een enkele eenheid. Inscripties uit het begin van de derde eeuw laten zien dat de Legio XXII speciale troepen had voor houtvoorziening, de zogenaamde vexillatio agentis in lignariis (Reis 2017). Het houtgebruik van de Romeinen was zo omvangrijk, ook al omdat de bevolking in de eerste en tweede eeuw flink toenam, dat enorme oppervlakten bos werden gekapt. In sommige regio’s was sprake van grootschalige ontbossing, bijvoorbeeld in de Duitse Baden-Würtenberg wordt geschat dat zo’n 60 procent van alle bos verdween in de Romeinse keizertijd (Nenninger 2001). In de tweede helft van de derde eeuw daalde de bevolkingsomvang weer fors (van Enckevort 2001) en kon het bos her en der herstellen.

Boeren mochten delen van hun land gebruiken voor bosbouw. ​​Als ze dat deden, waren ze verplicht hun percelen na elke kap te herbebossen. Bovendien waren er in het Romeinse Rijk diverse wetten die de bosbouw en het houtbeheer regelden. Volgens deze wetten mochten bepaalde bomen pas na een bepaalde leeftijd worden gekapt – tenzij het bomen betrof die op natuurlijke wijze waren ontworteld. Pachters van bosgebied werden gehouden het bos te onderhouden, de heren deden controles om te voorkomen dat pachters zich met hun goed verrijkten. Dat werd ook in tijdelijke pachtcontracten vastgelegd (Nenninger 2001). 

breed iberico

De Latijnse term voor de combinatie van landbouw en bosbouw is silva glandaria. De term werd oorspronkelijk gebruikt voor bossen met eiken (gland = eikel). Die boslandbouw kwam voor, bijvoorbeeld bij vee dat werd geweid in het bos. In Gallia werd een silva glandaria tijdens de Romeinse periode gezien als een zeer goede investering. De Romeinen hielden van varkensvlees en in het bos konden veel varkens worden gemest voor de vleesconsumptie in het (westelijke) Romeinse rijk (Nenninger 2001).

Bosbouw in Ravensbosch?

Hoe de Romeinen omgingen met het Ravensbos weten we niet goed. Bekend is dat rond Ravensbosch een aantal Romeinse villa’s waren gebouwd. Het is aannemelijk dat voor deze landbouwbedrijven een deel van het aanwezige bos op de noordelijke hellingen van het Geuldal werd gekapt. Of het hele bos verdween valt te betwijfelen. Zoals hiervoor beschreven waren de Romeinen zich bewust van de waarde van bossen. Ook laat bodemkundig onderzoek zien dat zich op steile hellingen in Zuid-Limburg niet of nauwelijks afgeërodeerde gronden bevinden. Dit is een aanwijzing dat op deze hellingen in Zuid-Limburg altijd sprake geweest moet zijn van een permanente bodembedekking en waarschijnlijk zelfs vaneen permanente bedekking met bos of bosachtige vegetatie (Westeringh 1981). Het is dus goed mogelijk dat dit ook met het Ravensbos het geval was.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven