Is Ravensbosch het knooppunt Cortovallio?

De zogenoemde Peutinger kaart van het Romeinse rijk met het wegennet, Corto vallio midden onder Parisi
Het is 1850 als de conservator van het Leidse museum van oudheden L.J.F. Janssen op zoek gaat naar resten van Romeinse wegen en bewoning rond Ravensbosch en die vindt hij ook. Janssen was bijzonder geïnteresseerd in Ravensbosch omdat hij vermoedde dat Ravensbosch het Romeinse knooppunt Corto vallio (Corvo vallium kan worden vertaald als Ravenvallei) was dat op de beroemde Peutinger kaart van de Romeinse wegen wordt vermeld (onder Parisi op de afbeelding).

Hij zocht de weg die van Xanten naar Heerlen moest lopen. In Broeksittard had Jansen in het dal van de Rode beek een deel van een houten veenweg blootgelegd, een onderdeel van de Romeinse weg op de oostelijke Maas-oever die van Coriovallum via Tuddern naar Xanten liep. Janssen wist nog niet dat Coriovallum het huidige Heerlen was. Verhart (2022) stelt vast dat de studie naar de Romeinse wegen vooral in de studeerkamer werd uitgevoerd met enkele uitstapjes naar locaties in het veld. Vanuit Broeksittard werd het spoor van de weg verder in zuidelijke richting gevolgd via de loop van veldwegen en sporen op akkers naar Puth, Schimmert en Ravensbosch. Daar sloot de weg aan op het tracé van de Via Belgica van Keulen naar Maastricht dacht Janssen.

In de zomer van 1850 voerde Janssen opgravingen uit bij Ravensbosch en ontdekte resten van een ronde fundering die hij als tempel interpreteerde. De aanwezigheid van een tempel was volgens Janssen een belangrijke aanwijzing voor een weg-kruising bij Ravensbosch met de Via Belgica van Keulen (Agripina op de Peutinger kaart) naar Tongeren (Atuaca).

Habets ontdekt een Romeinse kolonie bij Ravensbosch

Janssen vergiste zich dus, maar zijn gespeur rond Ravensbosch inspireerde wel anderen. Zoals Jos Habets (1829-1893), een jonge priester met belangstelling voor oudheidkunde. Joannes Josephus (Jos) Habets was in 1829 in het Zuid-Limburgse dorp Oirsbeek geboren en volgde een priesteropleiding in Rolduc en in Roermond. In 1864 heeft hij waarschijnlijk het handwerk geleerd van de Belgische archeologen Henri Schuermans en Camille baron de Borman toen zij samen opgravingen uitvoerden bij het Rondenbosch, in de nabijheid van Houthem. Het was het begin van een omvangrijke speurtocht naar overblijfselen van de romeinse tijd rond Ravensbosch. En Habets was daarbij niet de laatste. Het Ravensbosch leverde Habets zoveel vondsten van bewoning op dat hij het betitelde als een romeinse colonie. Waarover meer in het volgende blog.