Over de romeinse tijd is best wat bekend, maar ook nog veel onduidelijk. Wat we weten is vaak ontleend aan werk van Romeinse schrijvers zoals Tacitus, Livius en Caesar en die hebben de waarheid soms wat bijgekleurd. Uit die geschriften kunnen we onder meer afleiden welke keizer in welke jaren aan de macht was en tot welke gebieden die macht zich uitstrekte. In de totale romeinse tijd volgden tientallen keizers elkaar op, soms na nog geen jaar. Er waren ook perioden met een meer stabiel gezag. Een andere belangrijke bron zijn opgravingen van Romeinse woonplaatsen. Van de gevonden munten, aardewerk en andere objecten weten we vaak in welke periode die zijn gemaakt of het staat op de opschriften. Zo liet iedere Romeinse keizer nieuwe munten slaan en kunnen we zien waar de munten uit die tijd gebruikt werden.

De vroegromeinse tijd
Tussen 54 voor en 406 na Christus was Limburg een onderdeel van het Romeinse Rijk. Voor die tijd werd de streek bewoond door de Eburonen. Zij lokten in 54 voor Christus een Romeins leger in een hinderlaag. Caesar sloeg hard terug. Hij stak de Eburonese nederzettingen in brand, doodde de bewoners of nam ze gevangen en verdreef ook het vee. In het voormalige Eburonese gebied verschenen de Tungri als een nieuwe stamformatie. Er leefden verschillende andere groepen in deze streken. Waar precies is moeilijk te zeggen, maar de Romeinen knoopten relaties aan met de stammen in de streek, onder meer om soldaten voor hun legioenen te werven. De stamgenoten werden vaak in hetzelfde cohort geplaatst. Zo weten we dat in deze streken de Sugambri en de Beatasii leefden. Het is echter niet duidelijk waar de Sugambri zich vestigden en wat hun relatie was met andere stammen zoals de Cugerni, Sunuci en Baetasii.

De bataafse opstand
De eisen van de Romeinen aan de overheerste stammen waren niet mis. In 69 werd het Romeinse rijk verdeeld door een burgeroorlog en een van de concurrerende keizers, Vitellius, eiste van de Bataven extra soldaten naast de al geleverde acht cohorten. Dit was de directe oorzaak van de Bataafse opstand onder leiding van Julius Civilis. Civilis stamde uit een familie van Bataafse koningen en was erkend als Romeins burger. Hij was een vooraanstaand man, onder meer omdat hij vijfentwintig jaar dienst had gedaan bij de troepen. Hij sloot een verbond met bevriende stammen en trok op tegen de Romeinen. De Bataven raakten echter weer verdeeld. Een Bataafse opponent van Civilis, Claudius Labeo, vormde een leger met troepen van Baetasii, Tungri en Nerviërs. Hij werd door Civilis aangevallen en verslagen bij ‘de brug over de Maas’, mogelijk een brug bij Maastricht. Hoewel Civilis erg succesvol was en een gebied veroverde tot voorbij Keulen, werden de Bataven na een jaar verslagen door romeinse troepen die in allerijl door de keizer waren verzameld.
De middenromeinse tijd
De Midden-Romeinse periode begint in 70 n.Chr., het jaar dat de Bataafse Opstand eindigde. Het is het begin van een bloeiperiode tot 250 na Christus. De van oorsprong Gallische samenleving, gekenmerkt door zelfvoorzienende boeren, verandert op werkelijk alle gebieden, zoals wonen, reizen, voeding, taal en gebruiksvoorwerpen. De verovering brengt nieuwe inwoners, afkomstig uit alle hoeken van het Romeinse rijk, die elk een eigen stempel op de samenleving drukken. In deze streken ontwikkelden zich Romeinse steden zoals Tongeren, Maastricht, Heerlen en Aken waar onder andere tempels, badhuizen, markten en bestuursgebouwen waren. Een grote straatweg, de Via Belgica, werd al voor de jaartelling aangelegd en verbond de Kanaalkust via Maastricht en Heerlen met Keulen.
In de decennia na de Bataafse Opstand vonden enkele belangrijke bestuurlijke veranderingen plaats, te beginnen met de splitsing van de provincie Germania in twee delen tijdens de regering van Domitianus. De romeinse delen van Nederland gingen behoren tot de nieuwe provincie Germania inferior. Verdragen werden gesloten met Germaanse volken die in de buurt van de grens woonden en regelmatig werden groepen toegelaten om zich binnen het Rijk als laeti (horigen) in verlaten gebied te vestigen. Zij dienden mee te helpen met de verdediging van het Rijk en ervoor te zorgen dat de landbouwproductie werd gegarandeerd ten behoeve van het leger en de stedelijke centra. ‘Stam’-groepen die in Germania inferior werden opgenomen, waren de Cananefaten, Bataven, Traianenses, Agrippinenses en Tungri. Rond het grondgebied van de stammen vormden de romeinen vaak een civitas met een hoofdstad. Dit is een onder romeins gezag staand gebied met een in grote mate zelfstandig bestuur door inheemse magistraten. Zij werden zoor de procuratores van romeinse provincies ingeschakeld bij de belastingheffing, de recrutering van troepen en de uitvoering van andere maatregelen. De belangrijkste Romeinse civitates in Nederland waren rond Nijmegen (Ulpia Noviomagus Batavorum) en Voorburg (Forum Hadriani). Voorburg was het bestuurlijk centrum voor de Cananefaten stam. Van de meer zuidelijk gevestigde stammen Sunuci en Baetasii zijn de namen tot het begin van de tweede eeuw n.Chr. terug te vinden in die van militaire eenheden. Het lijkt erop dat deze groepen niet tot civitates werden omgevormd. De Traianenses werden Cugerni genoemd tot de stichting van de Colonia Ulpia Traiana (CVT) in Xanten. De colonia werd mogelijk al in 98 n.Chr. gesticht door Trajanus. Xanten was daarmee de tweede colonia in Germania superior na Colonia Claudia Ara Agrippinensium, afgekort als CCAA, sinds 50 na Chr. de Romeinse benaming van Keulen. Een colonia had een belangrijke functie als Romeins bestuurlijk en cultureel centrum. Veel veteranen gingen er na hun diensttijd wonen.
Uit allerlei bronnen wordt steeds duidelijker dat Limburg vanaf de stichting van Xanten deel uitmaakte van twee civitates: Xanten en Tongeren. De grens tussen beide civitates werd waarschijnlijk gevormd door de Geul en de Maas. In de middenromeinse periode werd de Zuid-Limburgse regio steeds belangrijker. Er liep al een belangrijke verbindingsweg van Keulen naar de kanaalkust via Rimburg, Heerlen, Maastricht en Tongeren. Terwijl Tongeren zich ontwikkelde tot civitas, bleef de status van de andere genoemde plaatsen die van vicus of dorp. Daarnaast speelde het gebied een grote rol in de Romeinse voedselvoorziening omdat de löss-grond bijzonder vruchtbaar was. Geleidelijk aan bouwden de romeinen er steeds meer landbouwbedrijven. Over deze zogenoemde villae meer in een volgend blog. Het gebied groeide zo uit tot de graanschuur van de Romeinen.

De laat-Romeinse tijd
De laatromeinse tijd (ca. 250-450 n.Chr.) was een periode van grote veranderingen, zoals de ontwikkeling van het christendom tot staatsgodsdienst onder Constantijn en Theodosius I. Kenmerkend waren ook de toenemende militaire druk op de grenzen en de reorganisatie van het leger. De macht verschoof van de steden naar een meer gecentraliseerde staat. In politiek-militair opzicht was Germania inferior in de derde eeuw een van de brandpunten van de complete chaos. De provincie werd geregeld onder de voet gelopen door Frankische plunderaars en landveroveraars. Het leger was zelden in staat om daaraan het hoofd te bieden. Zo werden Tongeren, Maastricht, Heerlen en Xanten in 276 door de Franken verwoest. Soms wist een nieuwe keizer weer enige rust te brengen en de steden weer te herstellen en versterken. Diocletianus versterkte het centrale gezag, Constantijn de Grote en Julianus en Theodosius herstelden de militaire infrastructuur, bruggen en wegen en lieten de civitates, zoals Tongeren, verkleinen en ommuren. De christelijke kerk ging een steeds belangrijker rol spelen in de Romeinse samenleving. De druk op de Rijngrens (limes) bleef echter. In 401/402 n.Chr. werden Romeinse legers teruggeroepen naar Rome, en in 406 trokken Germaanse stammen in groten getale de Rijn over. Het West-Romeinse Rijk viel uiteindelijk in 476 n.Chr., terwijl het Oost-Romeinse (Byzantijnse) Rijk nog duizend jaren bleef bestaan.