De graanschuur van de Romeinen

Zowat ieder jaar wordt in Zuid-Limburg een nieuwe Romeinse villa ontdekt en blootgelegd. Het is fascinerend te zien hoe intensief de Romeinen gebruik maakten van de natuurlijke rijkdom van de bodem. De villa’s waren boerenbedrijven, die surplus produceerden, dat op een afzetmarkt verhandeld werd. Ze ontstonden rond het einde van de eerste eeuw als gevolg van een groeiende vraag naar landbouwproducten vanuit de steden en de forten langs de Rijn. De keuze voor de bouw van zoveel villa’s in het lössgebied hangt vermoedelijk in de eerste plaats samen met de goede vruchtbaarheid van de lössbodems. Löss heeft de voor landbouw gunstige eigenschap goed water te kunnen vasthouden en is poreus van structuur, waardoor planten goed kunnen wortelen. In de tweede plaats was binnen het gebied een goede (door de Romeinen aangelegde) infrastructuur aanwezig, waarlangs de geproduceerde goederen snel richting de afzetmarkten getransporteerd konden worden. Bijvoorbeeld via de ‘Via Belgica’: de weg van Keulen naar Boulogne-sur-Mer, die dwars door Zuid Limburg liep. In de vici aan de weg (Maastricht, Heerlen, Rimburg) waren waarschijnlijk markten aanwezig waar de resterende oogst verhandeld werd. Bovendien stonden bewoners van het lössgebied ervoor open om voedsel te verbouwen en om elementen van de mediterrane levensstijl over te nemen.

villa's loss
bron: provincie Limburg Visie Via Belgica 2005

Het Romeinse leger had veel belang bij een stabiele voedselproductie en was waarschijnlijk betrokken bij de bouw van de villa’s. Dit verklaart de mediterrane bouwwijze en inrichting van de hoofdgebouwen, die in veel gevallen een overeenkomstige grondplan lijken te hebben. Villa Houthem-Kloosterbosch is daarvan een typisch voorbeeld. Achter het portiek bevindt zich een kern bestaande uit de grote centrale ruimte, geflankeerd door kleinere kamers. Aan de oostzijde werd slechts één ‘kamer’ – de kelder – aangetroffen, mogelijk zijn hier wel twee kamers aanwezig geweest. Een kern van twee kleinere kamers, ongeveer even breed, aan weerszijden van de centrale ruimte, is te herkennen als eerste fase van een groot aantal villa’s in de wijdere omgeving.

1864 villa rondenbosch schuermans
Plattegrond villa Houthem Rondenbosch – Bron: Remouchamps 1925

Op een fundering van kiezel of een enkele laag mergelblokken waren wanden opgetrokken uit leemtichels (adobe) of gestampte leem. De buitenmuren waren vermoedelijk wit geverfd zodat ze leken op de huizen in het mediterrane gebied. De bewoners lieten op de binnenwanden volgens de laatste mode van die tijd, al dan niet op een dunne laag mortel, vaak door vaklieden een paneelschildering aanbrengen. De kleuren rood, wit en zwart domineerden hierbij. Op de daken lagen dakpannen; of ze waren bedekt met houten dakspanen.

romeins horreum
terra sigilla 2 archäologisches landesmuseum konstanz, germany, cc by sa 3.0, https:::commons.wikimedia.org:w:index.php?curid=978076
Het typische Romeinse aardewerk met stempelpatronen: Terra sigillata

Voor zover we beschikken over gegevens over de bouwtijd van villa’s geven deze een beeld van een sterkte toename in de midden Romeinse tijd en een sterke afname in de laat-Romeinse tijd. 

De Romeinen bouwden hun villa liefst in de nabijheid van open of stromend water, zoals van een beekje. Ook de nabijheid van een doorgaande weg of een Romeinse stad telde mee. In Zuid Limburg gaven de Romeinen bovendien de voorkeur aan een vestigingsplaats op een lichte helling. Een villacomplex bestond veelal uit meerdere gebouwen. De bebouwing werd deels in steen, deels in vakwerk opgetrokken en omvatte een stenen hoofdgebouw (pars urbana) en een aantal schuren en opstallen (pars rustica). Veel hoofdgebouwen hadden aan de voorzijde een zuilengalerij (portico) die werd geflankeerd door twee vooruitspringende hoekvertrekken. De bijbehorende landerijen besloegen een oppervlak tussen de 50 en de 150 hectaren. 

68f20e25ae8d3eee8d1c591f villa lemiers lr 1200x675
Villa Lemiers – bron: Het Romeins Museum

Waarschijnlijk was het lössgebied aan het begin van de tweede eeuw al sterk geromaniseerd. Villa’s domineerden het landschap. De villa’s waren gericht op grootschalige gewasproductie, met name van graan voor het leger en de steden. Om dat te bereiken werden nieuwe technieken en hulpmiddelen ingezet, zoals bemesting, wisselbouw en een verbeterde ploeg. Veel villa’s werden in de loop van de decennia uitgebreid. De bewoners namen geleidelijk veel producten en gewoonten behorend bij een Romeinse leefstijl over. Op het platteland was buiten de villacomplexen nog weinig veranderd sinds de komst van de Romeinen. De overige boerderijen leken nog erg op hun prehistorische voorgangers. Ook bakten de bewoners nog met de hand het vaatwerk voor eigen gebruik in lokale kleiovens. In de hoofdplaatsen en de secundaire en militaire centra domineerde in de huishoudens al het uit het mediterrane gebied en Keulen geïmporteerde aardewerk, dat op de draaischijf werd vervaardigd. 

De löss-gronden in Zuid Limburg behoorden tot de Civitas Xanten, sinds 98 na Chr. een kolonie waar veel oud-legionairs gingen wonen. De villabewoners waren in de eerste eeuw vaak oud-legionairs, die als dank voor hun vervulde diensttijd van 25 jaar een stuk land kregen toegewezen. In de tweede en derde eeuw behoorden de eigenaren veelal tot de plaatselijke of regionale elite. Wanneer ze hoge bestuursposten bekleedden, woonden ze zelf een groot deel van het jaar in de steden en besteedden ze het beheer over hun landerijen uit aan anderen. Waarschijnlijk speelden bij het beheer van een deel van de villa’s ook vrouwen een belangrijke rol.

De vraag hoe ‘Romeins’ landelijk Limburg eruitzag, is onderwerp van discussie. Veel onderzoek heeft zich gericht op de villae waar mensen woonden met een Romeinse levensstijl, een nauwe band met de Romeinse autoriteiten en patroon-cliëntrelaties. Recente opgravingen van non-villa nederzettingen maken aannemelijk dat ook buiten de villaterreinen op het platteland werd gewoond. Het betreft huizen van inheemse boeren die voor eigen gebruik gewassen verbouwden (naast granen, mediterrane kruiden, fruit en walnoten) en dieren hielden. Hun huizen liggen vaak in de nabijheid van een villa en stalgedeelten ontbreken veelal, wat doet vermoeden dat hier een deel van de bevolking heeft gewoond die van een villa-eigenaar afhankelijk was; mogelijk waren het landarbeiders. Hun levensstijl omvatte lokale en Romeinse culturele elementen. Dit blijkt uit de archeologische vondsten in Limburg en uit Romeinse inscripties die namen bevatten die afkomstig zijn van Gallische of Germaanse wortels.

Villa Voerendaal

Ons beeld van het villa-leven is enorm verbeterd door enkele recente onderzoeken van complete complexen, zoals de villa Voerendaal-Ten Holt. Behalve een deels uit bak- en natuursteen opgetrokken hoofdgebouw, stonden op het erf ook enkele uit hout en leem opgetrokken gebouwen. In latere jaren werd de bebouwing uitgebreid en aangepast aan de eisen van de eigenaar. Zijn grootste omvang bereikte het gebouwencomplex in het begin van de tweede eeuw. De meeste gebouwen hadden in ieder geval een stenen sokkel, de muren waren deels uit leem en hout, en deels in steen uitgevoerd en de daken waren bedekt met pannen. Alle gebouwen waren in een carrévorm gegroepeerd rond een centrale, open ruimte. De bebouwing was volgens Romeinse normen symmetrisch geordend. In het centraal gelegen en luxueus uitgevoerde hoofdgebouw droegen muurschilderingen en vloerverwarming bij aan het woongenot van de eigenaar en zijn familie.

beeldmerk voerendaal web
Artist impressie Villa Voerendaal-Ten Holt – ontwerp Mikko Kriek

Verder stonden rond het rechthoekige erf een badgebouw, een graanschuur (horreum), een gebouw voor het verwerken van de oogst, een smidse en de onderkomens voor de ondergeschikten. Het door de bewoners van de villa benutte agrarische areaal bestond uit ongeveer 450 ha vruchtbare lössgrond en werd aan drie zijden door waterscheidingen en beken begrensd. De bewoners en hun ondergeschikten hielden zich in die tijd voornamelijk bezig met intensieve akkerbouw, in het bijzonder de verbouw van spelttarwe, en in mindere mate met veeteelt. Dat de graanproductie grootschalig was, bewijst de capaciteit van de graanschuur, waarin 235000 kg graan kon worden opgeslagen. De graanproductie was vooral bedoeld voor de Romeinse legioenen verderop. De Romeinse Rijnlegers omvatten tienduizenden legionairs.

De bewoners zelf aten in ieder geval vlees (rund, varken en schaap/geit). Ook kip, eend en eieren stonden op het menu. De bewoners hielden paarden en honden. Zij gingen ook op jacht, getuige de botten van edelhert, vos en das. Verder exploiteerde de eigenaar een op 800 m afstand gelegen groeve, waar de Kunrader kalksteen gewonnen werd die voor de bouw van de villa is gebruikt.

Aan het einde van de derde eeuw werd de villa verlaten. Dat blijkt met een groot deel van de villa’s het geval. Mogelijk als gevolg van plundertochten van invallende Germanen. Ook werd de rol van graanschuur voor de Romeinen overgenomen door Brittanica en bleef vooral het transport daarvan over de Rijn voor de Romeinen van groot belang. Bij minder dan een kwart van de onderzochte villa’s in Zuid Limburg zijn er aanwijzingen voor bewoning in de vierde eeuw. Maar enkele vertonen bewoningsactiviteiten in de eerste helft van de vijfde eeuw. In meerdere gevallen lijkt het erop dat zich nieuwe groepen vestigden in en bij de overblijfselen van de villa’s, al dan niet als ruïnes te betitelen. Het terrein van villa Voerendaal is later door Frankische kolonisten opnieuw als woonplaats gebruikt. De bebouwing in de vijfde eeuw, bestaande uit hutkommen, mogelijk enkele houten huizen en vele oventjes, bevond zich op het voorterrein van het complex. Vermoedelijk bleef dit deel van het voormalig erf van de villa tot in de zevende eeuw bewoond; de aanleg van een Merovingsch grafveldje op het terrein wijst ook in deze richting. Ook rondom Maastricht bleven enkele nederzettingen bewoond, wat duidelijk het belang van deze plaats tegen het einde van de Romeinse tijd onderstreept.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven