Jos Habets, amateur archeoloog deed vanaf 1870 een serie opgravingen bij Ravensbosch. Eerder hadden anderen al aanwijzingen gevonden voor Romeinse bewoning. Rond 1770 werd in Ravensbosch het zegel van een Romeinse oogarts genaamd Gaius Lucius Alexander ontdekt; het werd voor het eerst beschreven door professor Sachsius. Janssen liet al opgravingen doen bij twee villa’s, Steenland en Billich. Habets bouwde hierop voort en vroeg bij bewoners of zij iets hadden gezien of gehoord dat op ruïnes kon wijzen of bij veldwerk waren gestuit op resten van gebouwen of funderingen. Zo bracht hij een aantal mogelijke vindplaatsen in kaart en liet daar graafwerk uitvoeren. Hij (her)vond resten op allerlei plaatsen rond Ravensbosch en maakte daarvan dit kaartje.

In totaal 15 locaties met bebouwingsresten die Habets op basis van de vondsten als Romeins aanmerkte. Het aantal vindplaatsen was zo omvangrijk dat Habets meende dat er een Belgo-Romeinse colonie was geweest. Belgo omdat Habets dacht dat het gebied deel uitmaakte van Romeins Gallia Belgica. In het Romeinse rechtssysteem is een colonie een plaats met specifieke kenmerken en rechten, over het algemeen een stad, waar zich veel oud-legionairs vestigden. Ravensbosch was zeker geen colonie in deze betekenis. Er is niets bekend over de relaties tussen en eventuele samenhang tussen de villa’s en over eventuele andere bewoning in het gebied. Welke status dit cluster van gebouwen feitelijk had is niet duidelijk.
Jos (Jozef) Habets (1829-1893) was veruit de bekendste Limburgse archeoloog en historicus uit de tweede helft van de 19e eeuw. Hij was kapelaan in Hunsel, Bunde en Berg en Terblijt. Na zijn pastoraat werd hij in 1881 Rijksarchivaris in Limburg. Hij was medeoprichter en voorzitter van het Limburgs Geschiedkundig en Oudheidkundig Genootschap (LGOG). Werd geëerd met het lidmaatschap van de Koninklijke Academie te Amsterdam en de Koninklijke Vlaamsche Academie. Hij publiceerde tientallen historische artikelen onder meer in het door hem geïnitieerde blad Publications de la Société Historique et Archéologique dans le duché de Limbourg.

Habets besluit zijn artikel hierover met het volgende:
“Deze lijst van nederzettingen is, hoewel vrij uitgebreid, verre van compleet. Het landschap van Ravensbosch bevat waarschijnlijk nog andere overblijfselen die de ploeg niet heeft verstoord of die de buren ons niet hebben aangegeven. En dan is er nog het bos, waarvan een groot deel nog bestaat, een mysterieus gebied dat mensenhanden zelden aanraken, behalve door af en toe een eeuwenoude beuk of eik om te hakken. Het is een labyrint, grotendeels beschermd door braamstruiken en hakhout. De voorgaande aanwijzingen lichten daarom slechts gedeeltelijk de sluier op die de Romeinen van Ravensbosch omhult. Het is aan de archeologen van de toekomst om het werk dat we zijn begonnen, af te ronden.“
Tussen 1870 en 1876 bekeek Habets alle eerder gemelde vindplaatsen en die zelf uitvoeriger onderzoek naar Romeinse behuizing bij Brummenkoul, Steenland en Billich.

Brummenkoul
Bij de opgraving van het huis Brummenkoul in 1876 merkt Habets op dat het gaat om een kleine woning van 11 bij 6,5 meter zonder een stenen fundering. Mogelijk een verblijf van een eenvoudige werkman. Het was wel gedekt met pannen en ook werden resten van allerlei huisraad, waaronder een stevige molensteen, gevonden
< Schets Habets van het fundament Brummenkoul – Bron: Habets 1882
Villa Steenland
Habets groef hier in 1876 en 1879. Hij ontdekte een rechthoekig ommuurd terrein met een lengte van 256 meter, op een breedte van 96. In het midden van deze muur kruisen twee wegen elkaar, waarvan er één de Lolharinger-weg heet, afkomstig is van Schimmert en richting Hulsberg gaat. De andere, genaamd de Sittarderweg, gaat van Valkenburg naar Sittard. De wegen liepen er mogelijk ook al in de Romeinse tijd want een fundering zoals overal onder de omheinende muur ontbrak hier. Aan beide zijden van de rechthoek trof hij sporen van bebouwing aan.

De resten van het oostelijke gebouw maakten deel uit van een villa, bestaande uit verschillende kamers en bijgebouwen. De villa had een kelder en een verwarmde zaal (hypocausta). De kelder en de kamer met vloerverwarming waren gebouwd van middelgrote mergelsteen. Corridor a, 20,5 meter lang en 5 breed, was onbestraat, net als het impluvium b, groot binnenplein, 8 bij 16 meter. De ruimte c, 12 meter lang en 5,40 breed, is voorzien van terracotta platen geplaatst op een betonnen mortel gevormd van kalk en fm grind. De kamer d was 6 meter breed en 7,50 lang. Ruimte e was volgens Habets een stookruimte.
De villa had 40 gevelstenen. Het huis van de meester had uitzicht over de hele omgeving van het Steenland, de wegen die er doorheen liepen en de gebouwen aan de andere kant. De gebouwen die ooit op grind funderingen stonden waren zeker niet van steen, maar met muren van balken en planken. De huizen bestonden meestal uit een eenvoudige begane grond zonder ramen aan de straat of met enkele smalle openingen in de muur. De kamers waren smal en niet onderling verbonden. Ze kregen daglicht door de deur. De deuren zelf openden naar het binnenerf, of het impluvium. Verschillende kamers waren bekleed met geschilderde pleisterwerk: we vonden fragmenten met een rode of witte achtergrond, versierd met zwarte, groene of rode lijnen.
De gebouwen h en i waren volgens Habets bijgebouwen en op het terrein bevonden zich verder enkele mestkuilen. Uit de hoeveelheid overal aangetroffen as en sintels maakt Habets op dat de villa uiteindelijk door brand is verwoest. Brandsporen trof hij ook aan bij andere opgravingen in de omgeving
Aan de overzijde van de kruising legde Habets fundamenten bloot van een gebouw van 17 bij 20,5 meter. Binnenin trof hij alleen een vierkante ruimte van ongeveer 4.5 bij 5,5 meter. De bodems van dit gebouw waren niet van grind als de rest van de onderconstructies van Steenland, maar van steentjes, van tufsteen (mergel) en vuursteen. Omdat in deze funderingen met cement bedekte blokken en stenen zaten en fragmenten van tegels en mortel nam hij aan dat deze materialen deels zijn gebruikt uit de ruïnes van een ouder gebouw. De gebouwen waren bedekt geweest met dakpannen.

Een paar meter ten zuiden van gebouw d bevond zich de fundamenten van lokaal f, een klein vierkant van 4 bij 5 meter en met een cirkelvormige kuil met een diepte van 2™50. Het was een kleine niet-gemetselde kelder waarin de arbeiders op de bodem een mooie kuipershamer (zie afbeelding), een hangslot, scherven en ijzeren spijkers vonden. Deze kelder is waarschijnlijk bedekt geweest met een houten vloer.
Tekening van de door Habets opgegraven hamer – bron: Habets 1882
Steenland na Habets
Verschillende archeologen hebben na Habets opnieuw onderzoek gedaan naar Steenland.
In het kader van het project Actualisering Monumentenregister van de Rijksdienst deed Tessa de Groot in 2004 een onderzoek via een aantal proefsleuven om de gegevens voor het monumentenregister te actualiseren (De Groot 2006). Wat zij aantrof was in grote lijnen in overeenstemming met Habets beschrijving. Ook Gudrun Henssen onderzocht in 2008 de site ter voorbereiding van herinrichting van de Diepestraat Arendsgenhout (Henssen 2010). Het onderzoek bood een aanvulling op de reeds bekende kenmerken, waaronder talrijke putten van houten constructies, een put, twee uitbraaksleuven (met puin gevulde gesloopte funderingen) en een fundering van mogelijk een Jupiterkolom. De belangrijkste toevoeging was dat de villa werd omsloten door een dubbele sloot, of een sloot langs de muur van Habets, die nu bijna volledig was verdwenen.

Alle beschikbare gegevens combinerend, wordt in 2025 geconcludeerd dat de interpretaties van Habets hier en daar moeten worden herzien (Van der Feist 2025). Zo lijkt alleen in het uitstekende zuidelijke deel van de ruimte Habets e (2025 – 5a) de eigenlijke stookruimte. De kamer is te groot om een praefurnium te zijn geweest. Kamers 5a en 4b en mogelijk zelfs 4a werden verwarmd. Kamer 2 (b bij Habets) moet een hoofdruimte zijn geweest, geen impluvium zoals Habets aannam. Een uitbraaksleuf uit een binnenindeling van deze ruimte werd in 2004 aangetroffen. Kamer 3b had in 2004 nog steeds een betonnen vloer, wat Habets’ veronderstelling van een verwarmde kamer (zijn kamer d) bevestigde.

Op den Billich/Ravensbosch (kaart Habets B en P)
In 1870 was Habets ook actief bij locatie Billich bij Ravensbosch, waar Janssen eerder resten had gevonden. De locatie was volgens Habets vakkundig gekozen; het gebouw stond op een hoogte met een helling naar het zuiden; het omliggende landschap en het uitzicht op de vallei van de Geul is prachtig. Op een afstand van ongeveer driehonderd stappen was een bron van levend water, een klein beekje, genaamd Strabeek. Habets maakte de volgende schets van de plattegrond.
De hoofdgevel van de villa (afbeelding Habets letters A B C), naar het zuiden gedraaid, meet 31,50 meter en werd in de oost- en westhoeken afgesloten door twee uitpuilende kamers in de vorm van vierkante torens. Een binnenplaats impluvium (D) tussen deze gevel en de noordbouw, die een lengte had van 22,50 m. Deze bestond uit twee delen: de kelder (F) en een zeer lange zaal die in meerdere kamers lijkt te zijn opgedeeld (E). Habets was vooral onder de indruk van de kelder. Op bijgaande afbeelding is een perspectief van de kelder gegeven. Deze kelder had een lengte van 7 meter op een breedte van 4. Het gebouw had een zeer mooie structuur van kleine stenen die zorgvuldig waren gehakt met een kaphamer. Deze stenen, stevig gebonden met cement, kwamen volgens Habets uit de nabijgelegen tufsteengroeven en bewijzen dat de Romeinen het materiaal dat ze bij de hand hadden perfect wisten te gebruiken in hun gebouwen. De entree van de kelder, met een breedte van 2″50 m, bestond uit twee stevig gebouwde muren. Hoogte van de wanden van de kelder 1,80 meter, dikte 0,5 m. De trap, waarschijnlijk van hout, was verdwenen, maar had in de muur zichtbare sporen achtergelaten van de bevestiging van de treden. Wat hem vooral opviel in de bouwresten, was dat alleen de kelder gemetseld was; voor de rest van de fundering werden geulen van ongeveer twee voet breed gebouwd die vervolgens werden gevuld met steentjes en grind, geconsolideerd door middel van de aangestampte aarde. Net als andere villa’s in de buurt leidde Habets uit de grote hoeveelheid brandresten af dat de villa moest zijn verwoest door brand.
De bewoners van de villa van Billich waren naar zijn idee welgestelde mensen, die genoten van de gemakken van het leven. Hij vond ringen en armbanden, naalden gebruikt voor naaiwerk, een schrijfstift, de trum bewijst dat er hout werd bewerkt. Delen van paardentuig (een bit, zadelversiering en de dop van unhoyau, wezen er volgens hem op dat de eigenaar paarden heeft gehad. De botten uit de afvalresten van de keuken zouden ervan getuigen dat in de villa ossenhaas, schapenbout en gevogelte werden genuttigd. De gerechten zouden zijn geserveerd op mooi servies en uit kelken van mooie glazen of bekers werd wijn en water gedronken.

In 1907 werd de kelder van de villa opnieuw opgegraven door de Leidse archeologen Holwerda en Krom en de Limburgse priester-archeoloog Goossens, omdat men vermoedde dat er een verbinding zou kunnen zijn met een tweede door Habets genoemd gebouw, dat werd aangeduid als villa Ravensbosch. Onderzoek daarvan was het hoofddoel van de heren. Dit gebouw lag ongeveer 70 meter ten zuidoosten van de villa Billich en ongeveer 6 meter lager op de helling. Een verbinding werd niet aangetroffen, maar wel het restant van een verharde weg die tussen beide gebouwen door liep.
Villa Ravensbosch

De fundamenten van de noordzijde van Ravenschbosch lagen veel dichter onder het maaiveld dan die van de zuidzijde en waren sterker aangetast ten gevolge van landbouwwerkzaamheden en erosie. Het opgegraven gebouw was als geheel rechthoekig en besloeg 31 x 15 meter. In het kort geven de archeologen het volgende overzicht van de inrichting van de hoeve.

Door een smalle vestibule treedt men geplaveide hoofdingang binnen en komt in de noordwesthoek van een hof, die links en rechts door zijvertrekken begrensd wordt. Het geheel wordt door een brede achtergalerij afgesloten. Deze laatste staat dan nog in verbinding met een klein bijgebouwtje. In den hof treft men onmiddelijk links een afdak en daaropvolgend een afgeschoten ruimte in den noordoosthoek, vóór dat afdak ligt de mestvaalt en daarachter bevindt zich nog een afsluitingsmuurtje. Opvallend was dat de grote achterhal (21 x 10 meter) maar een paar meter achter de zuidmuur was geplaatst en voorzien was van een zevental verbredingen om de paar meter, mogelijk resten van steunberen.

Het onderzoek van De Groot met behulp van enkele proefsleuven in 2004 was aanleiding om de duiding van Ravensbosch als hoeve te herzien: vanwege de fundering voor rechtopstaand houtwerk en het ontbreken van een kelder, is gebouw P op Habets kaart eerder een bijgebouw met een pannendak.
Terwijl Habets westelijk van Ravensbosch nog een gebouw Q traceerde, dat hij niet onderzocht, zijn op recente luchtfoto’s eerder nog de contouren van een gebouw oostelijk van P te zien.
Villa Bosstraat (kaart Habets E en F)
Habets baseert zich voor deze locatie op een (ongepubliceerd) onderzoek van Janssen uit 1850. Die beschrijft hoe arbeiders op een perceel tussen de Boschstraat en de Keelweg fundamenten van twee gebouwen aantroffen. Op basis van de plattegronden behoorden die volgens Janssen bij een Romeinse villa. Rond de fundamenten werd onder meer Romeins aardewerk en tufsteen aangetroffen. Beide gebouwen zijn weergegeven als structuren E en F op Habets’ overzichtstekening (zie boven). Aangezien er ook vondsten onder de fundamenten werden gedaan, vermoedde Habets dat de villa een voorganger had. Gebouw E lijkt U-vormig te zijn, gebouw F heeft een L-vorm. E ligt circa 100 meter ten noordoosten van F. In hetzelfde artikel beschrijft Habets ook de vondst van een derde fundament, circa 100 meter ten zuidwesten van bovengenoemde plattegronden. Het onderzoek van De Groot heeft de aanwezigheid en de locatie van Habets’ gebouwen E en F vastgesteld.

De afstand tussen beide gebouwen bedroeg inderdaad circa 100 meter. Gebouw F is 18 bij 12,7 meter groot geweest en bestond uit een grote ruimte van 18 bij 9 meter aan de noordwestzijde en een smalle ruimte van 18 bij 3,7 meter aan de zuidoostzijde. Omdat bekapt natuursteen en dakpanmateriaal vrijwel ontbreken, heeft het gebouw waarschijnlijk alleen een fundering of sokkel van ruwe natuursteen gehad en zijn de wanden in vakwerktraditie uitgevoerd geweest. De fundering van de scheidingsmuur is minder diep aangelegd dan die van de buitenmuren. Gebouwen met een dergelijke smalle ruimte zijn op diverse villaterreinen aangetroffen, zoals het hiervoor beschreven Ravensbosch. De resten van gebouw E waren moeilijk traceerbaar en de aard en functie daarvan blijft onduidelijk. Een derde gebouw, waarvan Habets sprak, werd niet aangetroffen.
Schuermans & Habets – villa Rondenbosch / Kloosterbos
In het begin van de jaren zestig van de negentiende eeuw werden op het terrein de sporen van twee gebouwen en een verdedigingssysteem, bestaande uit een middeleeuwse schans en een greppel, opgegraven. De resultaten van de opgraving worden beschreven door Schuermans, Janssen en Habets, die ieder een eigen interpretatie presenteren.
< Schets Schuermans van Rondenbosch 1867 – bron De Groot 2007

De versterking (omtrek circa 500 meter) bestond uit een 1,5 meter diepe en 3-4 meter brede greppel met aan de binnenzijde een wal van 1,5 meter hoogte. De wal doorsneed de fundamenten van een gebouw, waarvan de façade naar het zuiden gericht was. Het had een lengte van circa 19 meter en een breedte van 16 meter. De fundamenten waren geheel opgebouwd uit mergelsteen. Het gebouw bestond uit tenminste vijf kamers. Een van de kamers viel bovendien op door zijn centrale ligging en grootte (11 x 9 meter). Van een kelder (B) was nog een meter van het opgaande muurwerk bewaard gebleven. Bij het hoofdgebouw was het oorspronkelijke Romeinse loopvlak op een aantal plaatsen nog traceerbaar, getuige de vondst van een vloerniveau en enkele plaveiselresten. Bij de opgraving werden o.a. munten gevonden van Trajanus (91-94 na Christus) en Faustina (175). Circa honderd meter ten zuiden van het eerste gebouw werden de resten van een tweede aangetroffen. Dit was circa 25 meter lang en 10 meter breed en had volgens Habets een opvallend minder verzorgde opbouw dan het eerste gebouw. Recente luchtopnamen doen vermoeden dat zich op Rondenbosch andere nog niet onderzochte bouwresten bevinden (Van der Feist 2025).
Tempel Tomberg
Niet ver van de villa Bosstraat werd in 1850 door Janssen een rond fundament blootgelegd. Hij schrijft: “(Het) land was op eene uitgestrektheid van p.m. 25 vierkante ellen, ruim ééne el hooger dan de belendende akkers, en volgens verzekering van de landlieden was het vroeger nog ééne el hooger geweest, zijnde wegens de moeite van het bewerken lager gemaakt. Ter diepte van ééne el onder den grond ontdekte ik van lieverlede bewerkte mergelbrokken, die bleken bij voortgezet graven, de bouwvallen van een’ tempel te zijn” (Verhart 2023). Het bouwwerk bestond uit een cirkelvormige structuur van afgeronde trapeziumvormige stenen van 1 m lang, 64 cm breed aan de basis en 30 cm breed aan de bovenkant, zorgvuldig gemaakt om te passen zonder mortel.

In 1917 deed Holwerda opnieuw opgravingen op deze plek. Hij vond de ronde fundering met enige moeite terug, de mergelblokken waren weg en een deel van de fundamenten was verdwenen onder de Bosstraat, maar kon geen aanwijzingen vinden dat het een tempel was geweest. Wel deed hij een verrassende ontdekking een paar meter opzij van de rondbouw. Daar werden vier sarcofagen blootgelegd. “Jammer genoeg waren die vier merkwaardige graven in vroegere eeuwen geplunderd, slechts enkele scherfjes en verbrande botjes wezen nog op hunnen voormaligen inhoud”.

Holwerda concludeerde dat de rondbouw waarschijnlijk moest worden gezien als een grafornament, maar daarover zou een uitgebreider onderzoek uitsluitsel moeten geven.
Villa Vogelensang
Een andere romeinse locatie die Habets onderzocht is met naam op zijn kaart aangegeven Vogelsang. Deze villa is later veelal aangeduid als Vogelensang en verschillende keren uitgebreid onderzocht. Het is een bijzonder interessante villa, zo zelfs, dat ik er een apart blog aan ga wijden.