Jagers en stropers in Ravensbosch

In de oudheid jaagden vele heersers als een vorm van recreatie en om uitdrukking te geven aan hun status. Zo was Alexander de Grote een groot liefhebber van de jacht. Ook de Merovingische en Karolingische koningen gingen graag op jacht in de koningklijke domeinen. En omdat de woeste gronden (inclusief bossen) als gronden van de koning beschouwd werden, waren er veel jachtgebieden, die de vorsten meer en meer gingen beschouwen als een exclusief voor hen toegankelijk domein.

jagdszene codex manesse

Met het uiteenvallen van het Karolingische rijk onstonden allerlei kleinere vorstendommen. De Frankische koningen en later de landsheren schonken leenheren, als tegenprestatie voor geleverde diensten, vaak rechten voor een bepaald domein, bijvoorbeeld het jachtrecht. Ook de hertogen van Brabant namen de regelgeving van de Franken over. 1 Schonken ze bosgronden weg, dan waren de desbetreffende terreinen niet langer herenloos, maar kwamen de nieuwe (leen)heer ook de rechten toe. De lagere edelen spiegelden zich aan de levensstijl van de hoge adel, ook wat de jacht betreft.

De jacht groeide uit tot een vast onderdeel van de adellijke levensstijl en werd beschouwd als een teken van macht en mannelijkheid, hoewel er ook onder vrouwelijke edelen fanatieke jagers waren. In de standensamenleving van de middeleeuwen beschermden de heren de bevolking tegen vijanden. De adel fungeerde dus als een krijgersstand in dit model. Door te jagen konden jonge edelen ervaring opdoen in krijgsvaardigheden als paardrijden en boogschieten en leerden zij omgaan met de dood. Bovendien bestreed de edele door te jagen de ledigheid met fysieke inspanningen in de natuur.

pieter bruegel the elder hunters in the snow (winter) google art project

Voor middeleeuwse vorsten en heren was het organiseren van een groots opgezette drijfjacht een beproefde manier om de banden met hun vazallen aan te halen in de verschillende delen van hun rijk en de lokale bevolking eraan te herinneren wiens onderdaan zij waren. De jacht was een vorm van power play. Vele heersers hadden zich het recht toegeëigend om op hun domeinen met uitsluiting van anderen te jagen. Hoewel de adel zich veelal beperkte tot de jacht op zogenaamd edel wild (herten, zwijnen), was in hun domeinen ook de jacht op kleiner wild en visvangst vaak verboden.2

2015 jacht

Ook na de middeleeuwen bleef de adel verknocht aan de jacht. A.J.C. baron van Voorst tot Voorst schreef in 1876 een Handboek voor den jager en voor hen die het wenschen te worden en hij meende ‘Er is geen hartstocht, die in zijne drijfveeren en oogmerken edeler is dan de zucht tot de jacht’.

Ravensbosch was een ideaal domein voor de jacht omdat er vrijwel geen andere mogelijk verstorende activiteiten plaatsvonden. In de 19e en 20e eeuw werden er regelmatig drijfjachten gehouden.

limburger koerier 22 11 1897
Limburger koerier – 22-11-1897

Hoewel dat niet de reden van de jachtpartijen was, waren ze voor de boeren in de nabijheid van het bos een welkome ingreep. Want die hadden veel overlast van konijnen en … vossen.

limburger koerier 28 07 1898
Limburger Koerier – 28-07-1898

Aangezien Ravensbosch in een groot deel van de 19e en 20e eeuw in het bezit was van adelijke families is het niet vreemd dat zij er jachtpartijen organiseerden. Deze waren blijkbaar zo aantrekkelijk dat zelfs prins Hendrik der Nederlanden in 1919 volop daaraan deelnam.

limburger koerier 14 11 2019
Limburger Koerier – 14-11-1919

Jan L. Kleintjes – Portret Prins Hendrik in jagerstenue – 1917 >>

1917 jan l. kleintjes portret prins hendrik in jagerstenue 1917.jpg
Stroperij in Ravensbosch

Tot aan de Franse tijd bezat de heer alle rechten op jacht, visserij, veldvruchten, hout en andere producten van zijn grondgebied. In Zuid-Limburg waren tientallen heerlijkheden waar dit van toepassing was. Op sommige domeinen was zelfs de konijnenjacht verboden. Bij zo’n konijnenwarande, was het de boeren verboden was konijnen te doden, ook al richtten die vaak enorme schade aan aan de oogst. Ze waren zelfs verplicht, hun katten de oren te korten en hun honden een driehoekig houtwerk, de kennef om de hals te hangen, om te voorkomen, dat die dieren hun jachtinstinct zouden botvieren 3. Zo’n warande was ronduit een ramp voor de plattelandsbevolking die het vaak toch al niet gemakkelijk had. Al in het laatste kwart van de zeventiende eeuw voltrok zich een neergang in de landbouw, die zich verdiepte tot een echte crises in de jaren 1730-1750 door de misoogsten en een grote veesterfte door de veepest4. Het is dan ook niet vreemd dat ook langs clandestiene wegen werd gezocht naar een aanvulling op het karige bestaan. Stropen was een van die acties 5. Maar met grote risico’s, want het werd veelal streng bestraft. En ook tegen andere overtredingen werd hard opgetreden. Een kleine bloemlezing van de voorvallen.

Maart 1727 werd de vrouw van de Valkenburger Mathijs Swinnen aangehouden door de Houthemse veldbode Paulus Thewissen na betrapt te zijn op veldstroperij. bron: Archief LvO nr. 8159

In 1752 werd wangedrag Hendrick Pricken fataal, zoals blijkt uit het navolgende verhaal.

image

Reconsturctie herdersdrama door Ad Welters – bron Uit Valkenburgs verleden : Historische schetsen 1968

p02

Zaterdag 29 Januari 1895, ’s morgens omtrent half acht, bevond onze ijverige brigadier H. der rijksveldwacht zich op surveillance onder de gemeente Houthem. Door een val, bij het achtervolgen van een strooper, verwondde hij zich zeer ernstig aan den buik. De eerste geneeskundige hulp werd verleend door dr. Plet uit Valkenburg, waarna de heer Rodiamont per rijtuig naar zijne woning werd gebracht. bron: De Nieuwe Koerier, 29/1/1895

1902 – Toen gisteren de Rijksveldwachter Lenders uit Schimmert zich alhier in het „Ravenbosch” op surveillance bevond mocht het hem gelukken op heterdaad te betrappen een zekere W. F. uit Gulpen toen deze bezig was met het stellen van wildstrikken. 26/11/1902.

poachers work engraving 22272726.jpg kopie
bron: The illustrated sporting and dramatic news, january 22, 1861-57

Sommige stropersacties getuigen van verzet tegen het privilege van de eigenaren van het jachtrecht, zo blijkt uit een zaak die in 1931 speelde. Een oud-jachtopziener in Houthem, M. J. L. en W. A. v.d. B. caféhouder te Hulsberg en W. H. S. eveneens te Hulsberg, werden het vorige jaar aangehouden, samen met nog eenige anderen, inde nabijheid van het bosch van den Graaf d’Ansembourg. Zij waren van plan dat bosch leeg te stroopen om, zooals was bedoeld „de jacht van den graaf kapot te maken”. Ze werden veroordeeld: L. kreeg 1 maand hechtenis, v.d. B. een boete van f 60 en S. drie weken hechtenis. bron: De Limburger, 29/1/1931

Ook in 1999 en zelfs in 2019 werden nog stropers aangehouden. In het laatste geval arresteerde de politie heeft twee mannen van 20 en 27 jaar in Valkenburg vanwege stroperij. De mannen liepen die dinsdagavond rond 22:30 uur met geweren in het veld aan de Niessenweg in Houthem op de grens met Valkenburg aan de Geul, toen de politie daar een melding van kreeg. De agenten hebben hun wapens getrokken omdat het duo een geweer bij zich had. Bij de aanhouding zijn twee luchtdrukpistolen van groot kaliber en een doorgeladen kruisboog in beslag genomen. bron: www.tvvalkenburg.tv, 20/9/2019

Bosbeheerders

Het door de bosheren aanstellen van forestieres, vorsters of boswachters was sinds de Frankische tijd gebruikelijk. Volgens Buis bepaalde de structuur van het Frankische bosbeheer voor bijna duizend jaar de structuur van het Nederlandse bosbeheer 6. Zo lieten ook de Brabantse hertogen wachters op hun domaniaal Ravensbosch toezien. Zonder toestemming van de domeinheer mocht er niet worden gekapt, geakerd (varkens weiden) of gejaagd in dat bos. De Staten-Generaal, onder wiens rechtstreeks gezag de bossen kwamen die van Brabant en Spanje vanaf 1560 werden veroverd, hielden deze plaatselijke beheersorganisatie met bosbeambten aangesteld door de woutmeester in stand 7. Hetzelfde deden de adelijke bosbezitters die vanaf de Franse tijd in bezit kwamen van de domaniale bossen.

boswachter large

In de 18e en 19e eeuw waren onder meer als boswachter in Ravensbosch actief: 1720 Jan Crombach – 1757 Lodewijk Koch – 1761 Jan Lambrecht – 1765 Peter Camps – 1770 Jan Baptist van de Weiijer – 1780 Christiaan Muurmans – 1872 Daenen – 1895 e.v. boswachters/jachtopzieners Andries, Sjang en Jup Knols.

<< De boswachter in uniform

Bij de hiervoor beschreven voorvallen werd al duidelijk dat het handhaven van het jachtrecht niet geheel zonder risico was voor de desbetreffende boswachters.

Stropers- en familiedrama’s in Houthem

Om de stroperij op de landgoederen van de landeigenaars, veelal de adel, tegen te gaan werden jachtopzieners aangesteld. Zij surveilleerden vaak ’s nachts, omdat de stropers dan meer kans zagen om het wild te pakken te krijgen en om uit handen te blijven van de jachtopzieners. Stropers maakten daarbij gebruik van zgn. lichtbakken of krachtige zaklampen, waarmee ze de dieren trachtten te lokken. Het wild werd daardoor verblind en bleef verschrikt stil zitten waarna het door de stroper gemakkelijk verschalkt konden worden. 

De fanilie Knols was ruim een halve eeuw actief als jachtopzieners in Ravensbosch. Te beginnen met Jan Andries (Andries) Knols uit Schimmert. In zijn jonge jaren was hij een geduchte stroper, maar later werd hij jachtopziener in het Ravensbos. De jachtopzieners waren soms onbezoldigd ambtenaar van de politie en waren bewapend. Zij onderhielden goede contacten met de veldwachters, die toezicht hielden in de dorpen, en zij gingen dikwijls samen met hen op pad. Andries kreeg in juni 1888 nabij het landgoed Ravensbos een geweerschot in zijn linkerbeen.

Een volgend drama speelde zich af op de stormachtige en pikdonkere avond van Tweede Kerstdag 1913. “Het was die vrijdagavond een echt hondenweer; de wind zwiepte de bladerlooze takken der boomen en joeg de donkergrauwe wolken met een razende vaart langs den pikzwarten hemel. De regen viel kletterend en klaterend. Zoo’n weer was bij uitstek geschikt voor de wildstroopers met den lichtbak; hoe heviger de elementen beroerd zijn, hoe harder het stormt en regent, en hoe dikker de duisternis, hoe beter de nacht voor den strooper; het wild verplaatst zich dan gemeenlijk niet en is des te gemakkelijker onder schot te krijgen”. 
Tegen tien uur des avonds waren veldwachter Sjang Knols (de zoon van Andries) en Sjeng Linckens, jachtopziener en tevens onbezoldigde rijksveldwachter, op surveillance op de landerijen van baron de Selys de Fanson. In de verte hoorden zij schoten vallen, zij spitsten de ooren en bij het volgend knallen stond het voor de veldwachters vast dat er geschoten werd in het Kloosterbosch.
Toen de veldwachters genaderd waren tot bij de stropers, werden beiden gesommeerd zich over te geven. Doch een van de stropers ging ervan door, terwijl de andere een mes trok en als een wilde op beide veldwachters inhakte. Uit zelfverdediging heeft toen een van de zwaargewonde veldwachters op deze vluchtende stroper geschoten. 
Zijn lijk werd ’s nachts door marechaussees in het bos gevonden, nadat Sjang Knols, die geheel uitgeput was door het bloedverlies, naar de ouderlijke woning was gedragen door zijn collega Linckens. De stroper was aan zijn verwondingen overleden. Het bleek J.L. Quax uit Limmel-Meerssen te zijn, die bekend stond als een beruchte stroper. Quax was werkzaam als remmer bij de spoorwegen en liet een gezin met vijf kinderen achter.

De andere geweerdragende stroper, waarvan de identiteit ook later niet kon worden vastgesteld, wist te ontkomen. Later is een zekere J.E. uit Meerssen aangehouden en ter beschikking van de justitie in Maastricht gesteld. Veldwachter Knols werd januari, gedeeltelijk hersteld, uit het ziekenhuis Calvariënberg te Maastricht ontslagen. bron: Limburger Koerier 27 december 1913

Een kleine tien jaar later eind juni 1924 was er opnieuw een incident waarbij Sjeng Linckens en ene Jup Knols (de zoon van Sjang) betrokken waren. “De jachtopzieners, beiden in dienst bij de grafelijke familie d’Ansembourg te Strabeek, waren ’s nachts op surveillance in de bosschen. Op het hooren van een schot van een nachtelijken strooper, scheidden zij en gingen ieder in een andere richting naar de kant van waar zij het schot gehoord hadden, op onderzoek uit. Misleid door de nachtelijke duisternis is Linckens later op Knols aangeloopen, heeft hem voor den strooper aangezien en wilde hem, met een browning in de hand, arresteeren. Knols struikelde en Linckens viel boven op hem. Ongelukkigerwijs is toen de revolver afgegaan en werd Knols door een schot onder het rechterschouderblad getroffen. In het hospitaal te Heerlen, waarheen de verwonde later werd vervoerd, is de kogel uit den schouder verwijderd. De toestand van den gekwetste is niet geheel zonder gevaar.” bron: Het Vaderland 26 juni 1924 / ’t Sjtegelke, 20 (2013) nr. 2 (december)

  1. Kort begrip van de Brabantse jachtrecht door een lid van de Nederlandse Volkskunde-commissie. Jaarboek De Oranjeboom 9 (1956)
  2. Leon Wessels – De jacht. Een cultuurhistorische inleiding. In: De jacht. Een cultuurgeschiedenis van jager, dier en landschap. Hilversum, Verloren, 2021
  3. cf. noot 1, p 197
  4. Van Schaïk, Remi: Drie vijftiende-eeuwse crises in de Nederlanden: oorzaken, kenmerken en gevolgen. Leidschrift, jaargang 28, nummer 2, september 2013
  5. Jacht en Stroperij. Themanummer Ons Heem. Tweemaandelijks tijdschrift van het Verbond voor Heemkunde. Jaargang 43, nummer 4-5, juli-september 1989
  6. Buis, Jaap (1985), Historia Forestis, Nederlandse bosgeschiedenis, Proefschrift Wageningen University, p 428-430
  7. Buis, noot 6, p 242

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven