Frankisch Zuid – Limburg II

De Karolingers – heersers over de Mosagao (Maasgouw)
messengers telling charlemagne of the victory over the saracens

Na koning Pippin III nemen in 768 zijn zonen Karel I en Karloman de heerschappij over. Karloman overlijdt kort daarna en zo wordt Karel de Grote vanaf 768 tot 814 de vorst der Franken. Door een reeks oorlogen verovert Karel de Grote een groot deel van West- Europa.

< Boodschappers brengen Karel de Grote bericht van de overwinning op de Saracenen – bron: Grand Chroniques de France

De Karolingers Pippijn I, Pippijn III en Karel de Grote hadden op verschillende plaatsen in de Maasregio koninklijke residenties, of paltsen zoals in Jupille, Chèvremont, Theux en Herstal 1. Ze getuigen van hun voorliefde van voor de aantrekkelijke landschappen en voor de diepe wouden waar zij graag verbleven om er te jagen. Vanaf 794 maakte Karel de Grote Aken tot zijn voornaamste residentie. Nadat hij op kerstdag in het jaar 800 in Rome door paus Leo III tot keizer was gekroond, vestigde hij zich definitief in Aken. Omdat in de belevingswereld van de middeleeuwse mens er slechts één keizer is, is de kroning van groot belang. Karel zag zich als opvolger van de Romeinse keizers. Zijn zegel was dan ook voorzien van de tekst Renovatio Romani Imperii, vernieuwing van het Romeinse rijk. Na zijn kroning werd dit het Heilige Romeinse Rijk met Latijn als voertaal. Ook na zijn dood in 814 onder zijn zoon Lodewijk de Vrome (814-840) bleef Aken de belangrijkste residentiestad 2.

kaart nederlanden karolingische tijd
De Nederlanden in het Karolingisch Rijk ingedeeld in graafschappen (gouwen), zoals de Maasgouw (hier: Masau)
Quid pro quo

Karel verdeelt zijn rijk in gouwen of graafschappen met een ambtenaar, de graaf, aan het hoofd. De graaf bleef de vertegenwoordiger bij uitstek van het koninklijk gezag; hij stond aan het hoofd van het graafschap en was verantwoordelijk voor politie, gerecht, militaire aangelegenheden en belastingheffing. Karel de Grote en zijn opvolgers bestuurden hun rijk met hulp van leenmannen. Karel handhaafde zijn gezag in zijn enorme rijk vooral door zijn Frankische edelen aan zich te binden via een stelsel van wederzijdse ruil: quid pro quo. Voor wat hoort wat. 3. De meesten van hen behoorden al tot families met de nodige bezittingen. Voor hun hulp en trouw verwierven zijn in ruil een ‘leen’, een nieuw landgoed.

Zuid-Limburg behoorde in Karels rijk tot de Maasgouw (Masau op de kaart). Onder Karel de Grote kwam de regio tot grote bloei. Karel hechte groot belang aan onderwijs, cultuur en wetenschap. Hij ontving geleerden uit vele landen aan zijn hof in Aken, en nam sommigen in dienst, zoals de uit York afkomstige monnik en geleerde Alcuinus. Op verzoek van Karel richtte die een hofschool op waar jongemannen een opleiding kregen voor de rijksdienst. Veel over Karels leven weten we van zijn leerling Einhard (of Eginhard), de schrijver van Vita Karoli Magni, de biografie van Karel de Grote 4.

Pagina uit Vita Karoli Magni – naar een kopie uit 1050

Éginhard vita caroli magni imperatoris lettrine v historiée charlemagne assis

Karel bezocht regelmatig zijn verschillende residenties, de zogenoemde ‘paltsen’ om te horen hoe het er voor stond en ter plekke bestuurlijke en juridische zaken te regelen. Bekend is dat hij in Maastricht bezittingen had en in Meerssen een palts 5

Maastricht was in de Karolingische tijd een belangrijk christelijk en bestuurscentrum. Van tenminste 530 tot het begin van de 8e eeuw was Maastricht bisschopsstad. De bisschopszetel werd in 718 door Hubertus verplaatst naar Luik, maar de OLV basiliek bleef vallen onder het beheer van de Luikse bisschoppen. Rond de Servaaskerk speelden juist de Karolingische vorsten een centrale rol. Zo blijkt uit de benoemingen van Alcuinus en Einhard (ca. 819-839) als abten van het monasterium of de abdij van de Sint-Servaas dat Karel de Grote zich beschouwde als de patroon van de kerk. De Servaaskerk kreeg zodoende een status als koninklijke kerk, en werd dan ook de grafkerk van de Neder-Lotharingse vorsten 6(De la Haye 2019).

De Franken en het bos

In het behoorlijk ontvolkte Romeinse gebied krijgt het bos kans zich te herstellen of nieuw te ontwikkelen. Flinke gebieden in Zuid-Limburg lijken opnieuw bebost te zijn geworden, waaronder Ravensbosch7 . Veel plaatsnamen vinden hun oorsprong in het feit dat het desbetreffende gebied ooit bebost was. Dit geldt niet alleen voor plaatsnamen als Genhout, Houthem en Koningsbosch, maar ook voor namen eindigend op rade of rode, zoals Wijnandsrade, Doenrade, Kerkrade, Raar en Rolduc (voorheen Kloosterrade). Dit woorddeel verwijst naar een gebied waar bos is gerooid8.

De Frankische heersers beschouwden zichzelf als de rechthebbenden over woeste gronden, bossen en wateren, die met het woord forestis of foreest werden aangeduid 9. Daaronder vielen het recht op akeren (weiden van varkens in bos), het recht op houtslaan, het recht op visvangst en op ontginning van niet in cultuur zijnde gronden. Die rechten behoorden in hun totaliteit de koning toe. Sinds de zevende eeuw komt men meer en meer in oorkonden van Frankische heersers de woorden ‘forestis (nostra)’ tegen 10. De desbetreffende oorkonden dienden meestal om koninklijke of landsheerlijke rechten in gebieden, die woest en verlaten liggen, nader te omschrijven en/of te bevestigen. Dergelijke gebieden worden dan ook steevast aangeduid in termen als ‘vastus’, ‘eremus’, ‘solitudo’ of ‘in deserto’. In een oorkonde uit 648 geeft koning Sigibert III toestemming aan de geestelijke Remaclus om een abdij te stichten in foreste nostra nuncupante Arduinna. Deze abdij was die van Stavelot-Malmedy en deze Arduinna was niets minder dan de reeds onder de Romeinen welbekende Silva Arduenna, het uitgestrekte bosland of bosrijke middelgebergte: de Ardennen 11.

De Frankische vorsten hadden dus een duidelijk belang bij veel van de bossen, het waren onder meer fanatieke jagers. Ze lieten dit ook graag aan anderen weten…

Karel de Grote had zijn gezanten over land en zee gestuurd om de alliantie van zijn vader tussen het Frankische en islamitische rijk te vernieuwen. Na vele weken reizen arriveerden de ambassadeurs van Karel de Grote aan het hof van kalief Harun al-Rashid. Zoals het diplomatieke protocol vereiste, stuurde de heerser van de Franken zijn vertegenwoordigers met kostbare geschenken: snelle paarden, felle stoffen en felle jachthonden. Als rijkste heerser ter wereld was de kalief slechts licht onder de indruk van de paarden en textiel, maar hij had wel een bijzondere interesse in de Frankische honden en vroeg welke dieren ze geschikt waren om op te jagen. De ambassadeurs van Karel de Grote antwoordden trots dat ze elk beest waarop ze stonden aan stukken zouden scheuren. De kalief antwoordde sceptisch: “Alleen de tijd zal het leren.” Toevallig werd de volgende dag aan Harun gemeld dat een leeuw zijn onderdanen in de buurt aanviel. Hij riep onmiddellijk de bezoekende Franken en hun honden op, en ze vertrokken snel te paard. Toen ze de leeuw tegenkwamen, omsingelden de Frankische honden het dreigende beest, en de gezanten van Karel de Grote kwamen dichterbij, waarbij ze hem snel met hun zwaarden doodden.

rs=w 1280

Toen hij de vaardigheid en moed van de Frankische jagers zag, geloofde de kalief eindelijk de geruchten die hij over de keizer in het verre Europa had gehoord. Hij verklaarde: “Nu weet ik dat de dingen die ik over mijn broer Karel de Grote heb gehoord waar zijn: dat hij door voortdurende jacht en het onvermoeibaar oefenen van zijn lichaam en geest gewend is geraakt aan het overwinnen van alles onder de hemel!” 12

<< Karl de Grote en de kalief onderhielden goede relaties. De kalief schonk hem een set schaakstukken en hij kreeg een echte witte olifant cadeau, Abu Al Abbas

In de herfst van 813 was Karel de Grote ook weer op jacht, maar hij liep daarbij een ontsteking op die hem uiteindelijk fataal werd. Januari 2014 overleed hij als gevolg van zijn grootste hobby 13.

Bosbeheer in het Karolingische Rijk

Een oorkonde uit 670 is volgens Kaspers de eerste waarin van ‘forestarii’ sprake is. Zij waren ‘bos’-beambten in dienst van de koning en waren aan de plaatselijke beheerders toegevoegd. Een landsheer benoemde een ‘forestarius’, een vorster. Deze op zijn beurt nam een aantal ‘servi forestari’ aan, de vorstknechten of bosdienaren 14. De ‘forestarii’ ‘ werden ingepast in het beleid rond het stichten van nederzettingen in de vorm van villa’s. Zij moeten ter plekke toezien op naleving van een door de koning uitgevaardigde oorkondes en vullen zo zijn aanpak van ontginning van gebieden door middel van villae aan. De ‘forestarii’ zijn namens de koning bij de villae in dienst. Zij zijn beroepsmatig belast met het beheer van de ‘forestes’. Bovendien waren zij niet alleen een koninklijk ambtenaar, maar werden zij daarnaast vaak begiftigd met een hoeve.

Dergelijke hoeven werden kennelijk aan beambten aangeboden als tegenprestatie voor hun diensten, en stelden de begiftigden in staat om in hun eigen levensbehoeften te voorzien. Zij dienden daarbij echter wel voor afdracht van een bepaald quotum producten zorg te dragen. In de oorkonde werd de ‘forestarius’ bevestigd in zijn rechten en plichten. Hand- en spandiensten zoals dat voor anderen gold. behoorden niet tot zijn plichten,  De ‘forestarius’ was het toegestaan zich in de foreesten en met name de erin gelegen bossen op te houden, zonder een ander dan de koning daarvan rekenschap te hoeven afleggen. Ook was hem toegestaan om recht te spreken in geval van overtredingen waarbij bos of bosproducten in het geding waren. Deze rechtspraak kon in voorkomende gevallen dus buiten de grafelijke rechtspraak om plaatsvinden. Het bosbeheer en het beheer van de foreesten verkreeg dus een eigen jurisdictie.

In een diploma verleende Lodewijk de Vrome de koninklijke boswachters in de Vogezen onheffing van de ‘openbare functies’. Het document gaf precies aan wat werd bedoeld met die ‘openbare functies’. De boswachters kregen vrijstelling van van de betaling van de legerbelasting (de haribannus), het uitvoeren van transportdiensten (paraveredi) en het uitvoeren van andere ad-hoc klussen (de bannus); ze moesten echter nog steeds een belasting betalen (de stoffa). ‘Openbare functies’ omvatten dus militaire dienst, koninklijke belastingen en een verscheidenheid aan kleine kosten.

Of ook in de bossen op de noordflank van de Geul, zoals het Ravensbos dergelijke forestarii werden aangesteld is niet bekend. In de berichten over de Proosdij van Meerssen en de heren van Valkenburg wordt gepoogd een reconstructie te maken van de rechthebbenden over dit gebied. Bosrechten werden wel degelijk van belang gevonden en het is aannemelijk dat die ook tot op zekere hoogte werden beschermd.

  1. Dierkens, A. Im Zentrum der karolingischen Macht im 8. Jahrhundert Herstal, Jupille und Chèvremont. In: Frank Pohle (red, 2014) KARL charlemagne DER GROSSE – Orte der MACHT. Essays. Aachen: Sandstein Kultur
  2. Linssen. C.A.A. (1985) Historische opstellen over Lotharingen en Maastricht in de middeleeuwen. Assen etc. : Van Gorcum
  3. Innes, Matthew. (2020). State and society in the early Middles Ages: the middle Rhine valley, 400-1000 Cambridge: Cambridge University Press.
  4. De la Haye, R. De historische Servatius. Stand van zaken. In: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg – PSHAL 155(2019), p. 10-56
  5. Panhuysen, T. Sleutelfiguren uit de vroegste geschiedenis van de Sint-Servaasabdij van Maastricht. PSHAL 147 (2011), p. 9-62.
  6. De la Haye, noot 3, t.a.p.
  7. Renés, J., 1988. De geschiedenis van het Zuidlimburgse cultuurlandschap, Assen/Maastricht, Van Gorcum.
  8. Van Berkel, G. (2016) Limburgse plaatsnamen verklaard. Amstelveen
  9. Vera, F. The Use of the Wilderness from the Middle Ages up to 1900. In: Vera, F.W.M. (ed) 2000 Grazing ecology and forest history. Oxon/NewYork: CABI Publishers.
  10. Buis, Jaap (1985), Historia Forestis, Nederlandse bosgeschiedenis. Proefschrift. Wageningen: Wageningen University
  11. Buis, noot 10, p. 26
  12. Goldberg, E. J. (2020) In the Manner of the Franks; Hunting, Kingship, and Masculinity  in Early Medieval Europe. Philadelphia: University of Pennsylvania Press
  13. Horter, R. De jacht in de middeleeuwen. In: Onze Hond (2008)1, p 64-69
  14. Buis, noot 10, p. 223

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven