Ravensbosch van de proost naar de voogd ?

In 968 schonk de koningin van het Westfrankische rijk Gerberga de palts en het preadium (landgoed, domein) Meerssen (Marsna) aan de Remigiusabdij in Reims. Volgens de schenkingsoorkonde “compleet en geheel, met rechtmatige grenzen, met 82 mansi (hoeven), dat wil zeggen met bebouwde en onbebouwde gronden, bossen, weiden, wijngaarden, ovens, molens, wateren en waterlopen, inkomsten en opbrengsten.” Voorwaarde was dat er een klooster kwam waar gebeden werd voor het zieleheil van haar en haar man gouwgraaf Giselbert.

Van palts naar proosdij

De Remigiusabdij vestigde inderdaad een klooster of kapittel bij de Meerssense paltskapel en behield eeuwenlang de inkomsten hiervan. Deze dependance van de Sint-Remigiusabdij te Reims in Meerssen werd aanvankelijk niet bevolkt door benedictijnse monniken maar door seculiere kanunniken. De leden, de kapittelheren, vormden een gemeenschap van leken (niet tot priester gewijd) die verantwoordelijk was voor het dagelijks koorgebed en het beheer van de kerk. De heren van het kapittel waren vaak leden van adelijke families. Behalve de palts in Meerssen beheerde het kapittel de landerijen elders in de omgeving van de gift van Gerberga 1.

In de periode 900-1100 vonden grote veranderingen plaats op het platteland. In de Karolingische tijd was het zogenaamde hofstelsel ontwikkeld. In eerste instantie door de Frankische vorsten. Maar ook andere grondbezitters zoals edelen en kloosters gingen hoven stichten die ervoor dienden om het land te (laten) bewerken en productief te maken. Voor het werk werden boeren ingeschakeld. De grond rond de hof werd verdeeld in twee delen: het ene stuk, het zogenaamde saalland, hield de heer in eigen beheer en op het andere deel konden (afhankelijke) boerderijen komen (Mansi). Op het saalland stond meestal het huis, de abdij of het kasteel waar de heer in woonde (Vroenhof, Laathof, Saalhof) en dat een zekere bescherming bood aan de anderen op de hof. Het andere stuk gaf hij in bruikleen aan zijn boeren 2 3

00000299
Zaaien en oogsten voor de heer – ontleend aan Stuttgarter Bilderpsalter (Xe eeuw) Wurtenbergische Landesbibliothek

De meeste boeren hadden weinig keus, ze waren horigen: ze waren aan de grond gebonden. Ze mochten dus niet verhuizen als ze genoeg hadden van hun heer. Een klein aantal boeren bezaten zelf een stuk grond en zij waren vrij. Vanwege de onzekere tijden gingen ze soms toch een deel van hun tijd voor de heer te werken.

Cijnzen en tienden

De zogenoemde tiende werd al door Pepijn de Korte en Karel de Grote ingevoerd. Een tiende deel van de oogst moest worden afgedragen en werd gebruikt voor de instandhouding van kloosters en kerken, het levensonderhoud van de priesters en de financiering van de armenzorg. Het kapittel inde namens de abdij in Reims de belasting bij de hoven behorend tot het bezit. Het ging dan om behoorlijke bedragen en het is daarom niet verwonderlijk dat de kapittelheren graag hun zetel behielden. In het register van de abdij (de Notitia Census Debiti Villarum Sancti Remigii) was vastgelegd wat Marsna verschuldigd was: “op het feest van Remigius, zes pond, acht solidi en negen denarii, met Pasen één pond en tien denarii, midden augustus tweeënveertig grote varkens. In totaal zeven pond en acht solidi en zeven denarii.” De ponden, solidi en denarii waren de munten in die tijd. Daarbij kwamen nog de cijnzen van een flink aantal andere bezittingen zoals Klimmen, Schinnen, Nuth, Schimmert en heffingen in natura, bijvoorbeeld een aantal jonge rammen. De betalingen moesten plaatsvinden op feestdagen (Van heiligen zoals Remigius – 1 oktober en Lambertus – 17 september en op Pasen en Kerstmis) 4. De proosdij beheerde bezittingen zo ongeveer over de hele noordflank van de Geul van Bunde tot Klimmen. De oudste lijst van cijnzen is een toevoeging aan het Remigius register uit 847 en is vermoedelijk voor 1060 geschreven. Tot de oprichting van de proosdij had een door Reims benoemde geestelijke de leiding hierover. Er is nog een tweede latere cijnzen-lijst in het register waarin Meerssen en omliggende plaatsen opnieuw worden genoemd 5.

1998 gussone meerssen studies 1998
Overzicht van bezittingen van de Proosdij Meerssen eind 12e eeuw – ontleend aan Gussone 1998

Deze lijst is aanmerkelijk uitgebreider. Waarschijnlijk is dit ook een gevolg van de economische opbloei die optrad ongeveer vanaf het jaar 1000. Hierin staat voor “Marsna – Voor het feest van Sint Remigius 22 pond en 15 solidi. Hiervan blijven 17 pond en 10 solidi over voor de broeders. In augustus 11 pond en 8 solidi aan vetmestgeld. Hiervan blijven 8 pond en 3 solidi over. Voor het feest van Sint Martinus 40 solidi aan kapitaal. Voor de geboortedag des Heren 30 pond en 8 solidi aan offergaven. Met Pasen 22 en een halve solidi aan vetmestgeld. Voor zes molens per molenaar, één molen zonder, dezelfde betalen zij 4 schepels tarwemeel, 24 sextarios wijn en 48 kapoenen. Voor de geboortedag des Heren 57 kippen; hiervan blijven er 46 over voor de abdij; per kip, 6 eieren, en 6 om te bewaren. Voor het feest van Sint Johannes de Doper 16 denarii. Voor het feest van Sint-Martinus geven de buitenlandse wagenvoerders elk 2 denarii en 1 kip. Van elke 132 liter bier die op de markt komen, van wie daar bier brouwt, geeft 4 denarii. Op de geboortedag van de Heer worden 20 solidi aan offergaven gegeven, en van het feest van Sint-Lambertus tot het feest van Sint-Martinus 4 karren met voerlui met wijn en 15 karren brandhout.” (sextario een inhoudsmaat, iets meer dan 0,5 liter, schepel ongeveer 9 liter)6 7

Gezien de omvang van de heffingen en de in de omschrijving gemelde verdeling tussen de proost en de broeders, mag worden aangenomen dat deze lijst is opgesteld nadat het kapittel was omgevormd tot proosdij.

scherm­afbeelding 2026 01 27 om 17.04.34

In 1136 gaf de Luikse prins-bisschop Alberon toestemming aan abt Odo van Reims om de Meerssense stichting om te zetten in een proosdij. Rond 1190 was de proosdij definitief in handen van de benedictijnen van Reims.8

<< Kloosterbroeders – Afbeelding uit het Utrechts Psalter (IXe eeuw)

De proost was tevens ambachtsheer van Meerssen. Hij mocht de schout en schepenen benoemen op de hoofdbank Meerssen en onderbanken (zoals Klimmen) zonder tussenkomst van de voogd, de wereldlijke beschermer van de proosdij. De proost had tevens het recht van begeving van de pastoorsplaatsen in Meerssen, Klimmen, Schin op Geul, Hulsberg, Amby, Bunde, Houthem en Schimmert. Hij trok bovendien de tiendrechten van de hier gevestigde hoven die in 1145 door Koenraad III aan de proosdij waren verleend. 9

De voogd

De oppervoogdij over Meerssen berustte tot 1145 waarschijnlijk bij de hertog van Brabant als hertog van Neder-Lotharingen; daarna behield de koning zich de voogdij voor. Belangrijker voor de feitelijke ontwikkeling was de lokale of ondervoogdij. Die kwam in handen van de heren van Heinsberg en Valkenburg, mogelijk al rond 1120 onder Goswin I, maar zeker vanaf 1152 onder diens zoon Goswin II. De heren van Valkenburg en met name deze Goswin II deden er alles aan om meer macht te krijgen in het gebied rond Valkenburg. Ze hadden al een klein bezit in Houthem en Goswin II aasde nu ook op de bezittingen en tienden van de proosdij. Verschillende keren kwamen de vorsten (Konrad III) en bisschoppen tussenbeide, en legden deze de rechten opnieuw vast of bekrachtigden ze. Toch bleef Gozewijn II zich zaken toe-eigenen, niet alleen een deel van de inkomsten uit rechtszaken, maar ook rechten over molens, weidegronden, gasterijen en de benoemingen van bijvoorbeeld de schepen (wethouders). Pas toen ook de paus Adrian hem dreigde met onteigening en excommunicatie bond hij een beetje in. Na de dood van Gozewijn II waren de problemen minder, maar de heren van Valkenburg bleven onverminderd op jacht naar macht. 10 11

Onenigheid met de proost ontstond ook rond het optreden van de kluizenaar Gerlachus, een voormalig ridder uit de kring van Gozewijn II, die tot inkeer gekomen een leven van boetedoening begon bij Houthem. Hij ging volgens de overlevering leven in een holle eik in een stuk bos. 12 Habets

gerlachus buste 2015
Onthulling door bisschop Delville van Luik in 2015 van een reconstructie van het aangezicht van St. Gerlachus op basis van diens schedel.

De proost zag hem graag toetreden tot de proosdij omdat hij in het verzorgingsgebied van de proosdij huisde. Toen Gerlachus dit weigerde drong de proost erop aan dat Gerlachus als leek onder curatele werd gesteld. Deze rol werd echter toegewezen aan de abdij van Kloosterrade (Rolduc). De kapel die tijdens zijn leven was gebouwd en waarin hij in 1172 werd begraven, werd in 1202 vervangen door een in opdracht van Gozewijn IV gebouwde kerk en klooster. 13De talloze pelgrims die het graf van de heilige bezochten konden daarin onderdak vinden.

Ontginning van de woeste gronden en het bos

De woeste gronden, eertijds het domein van de Karolingische vorsten, kwamen geleidelijk in het bezit van de kloosters en de lokale adel. In een akte uit 1190 werd vastgelegd dat de twee grondeigenaren Theodoricus en Gottfried die zich de tiende hadden toegeëigend, deze weer aan de proosdij zouden afstaan. In ruil daarvoor kregen ze het recht een stuk bos te rooien om te gaan bebouwen. Zoals gebruikelijk werd de eerste vijf jaar geen heffing opgelegd over dergelijk ontginningsareaal. De akte maakt duidelijk dat de proosdij ook bosgebied bezat. We moeten aannemen dat ontginningen in de tweede helft van de 12e eeuw op behoorlijke schaal voorkwamen. 14 ??

1440 jäger fällen bäume zur fallenherstellung the j. paul getty museum courtesy of the gettys open content program

In die tijd gingen kleinere boeren, de horigen, die afhankelijk waren van de landbezitters, vanuit hun dorpen in de beekdalen naar de woeste gronden op de plateaus. Op deze gronden stichtten ze nieuwe nederzettingen. Ze ontgonnen de bossen en produceerden meer voedsel dan ze zelf op konden krijgen. 

<< courtesy the Paul J. Getty Museum Open content program.

Een juridisch document uit 1157 over zo’n proces in de omgeving van Eijsden geeft een precies beeld van de dagelijkse omstandigheden van ‘horigen’ vóór en ná een ontginning. Toen zeven inwoners van het dorp Breust destijds een stuk grond hadden ontgonnen, werden de nieuwe verhoudingen tussen de grondbezitter – het Sint Martinus-kapittel in Luik (tegenwoordig België) – en de ontginners in een akte vastgelegd. Voor het ontgonnen stuk land moest jaarlijks een kleine cijns worden betaald. De zeven ontginners werden verder vrijgesteld van verplichtingen aan ‘de hof’, de centrale boerderij van het kapittel in Breust. Ze hoefden geen diensten meer te verrichten op de grond van deze hof of voor het zojuist genoemde kapittel in Luik, wat voorheen wél hun plicht was geweest. De horigen die binnen het domein een stuk land hadden ontgonnen, werden zo voor hun zware werk beloond. In dat opzicht waren deze zeven ondergeschikten aan de hof in Breust duidelijk vrijer geworden. Dit soort vrijstellingen van diensten op het domein zorgde voor meer ontginningen. Maar ook horigen die van een domein naar de stad trokken, kwamen terecht in een vrijere situatie. Daar hoefden zij namelijk geen diensten te verrichten. Meestal gold dat de horige vrij was wanneer de grondbezitter het niet voor elkaar kreeg zijn horigen binnen een jaar en een dag naar zijn domein terug te halen. Om een massale vlucht van arbeidskrachten naar de stad tegen te gaan, moesten de grondbezitters de horigen op het platteland steeds meer vrijheden gunnen. Steeds vaker werden dan ook de diensten op de grond van de heer afgeschaft. Uiteindelijk werd deze grond vaak aan de boeren verpacht. 15

Ook uit latere documenten kan worden afgeleid dat de proosdij bosgebieden op de noordflank van de Geulvallei bezat, zo wordt in 1241 door Dirk II (Theodoricus) van Valkenburg de Vorbusde verkocht aan de Proost en het klooster van St. Gerlach 16, bos bij de Ravensbergh in 1242 onder voorwaarden afgestaan aan Dirk van Valkenberg en in 1275 bos in Hatert verpacht aan Dirk II van Valkenberg. Opnieuw blijken van de gestage toe-eigening van gebieden door de heren van Valkenberg. 17

  1. Gussone, M. Die Propstei Meerssen bis zum Ende des 12. Jahrhunderts, in: Historische en Heemkundige Studies in en rond het Geuldal. Jaarboek 1998, S. 145–186
  2. Devroey, J-P. & Wilkin, A. Die Landwirtschaft in der Karolingerzeit. In: Pohle, F. (Red) Karl der Grosse – Charlemagne – Orte der Macht. Essays. Aachen, Sandstein Verlag. p86-93
  3. Hekker, R.C. De_historische_achtergrond_van_het_dorpsgezicht_St._Gerlach- Tijdschrift voor historische geografie. 1/2 (1987) 40-59.
  4. Guérard, B. (1853) Polyptyque de l’Abbaye de Saint-Remi de Reims, ou dénombrement des manses, des serfs et des revenus de cette Abbaye, vers le milieu du neuvième siècle de notre ère. Paris : Imprimerie Imperiale. Opgehaald januari 2026 van Library of Congres https://www.loc.gov/item/20010935/
  5. Devroey, Jean-Pierre (1984) Le polyptyque et les listes de cens de l’abbaye de Saint-Remi de Reims (IXe-XIe siècles), Académie Nationale de Reims
  6. Guérard, noot , t.a.p.
  7. Gussone, noot 1, p 167
  8. Gussone, noot 1, p 147
  9. Habets, J. (1888). Βeknopte Geschiedenis der Proostdij van Meerssen. Maastricht, Drukkerij Courrier de la Meuse.
  10. Gussone, noot 1, p 148
  11. Bijsterveld, A-J. Machts- en territoriumvorming: van Karolingische kernregio tot territoriale lappendeken, 900-1200. in: Tummers, et.al. (red) Limburg: een geschiedenis tot 1500. Koninklijk Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG), Maastricht 2015, 207-240
  12. Gussone, noot 1, p 151
  13. Gussone, noot 1, p 152
  14. Stoepker, H. Het landelijk gebied in een overgangstijd, 950-1250. Resultaten van archeologisch nederzettingsonderzoek. In: Tummers, et.al. (red) Limburg: een geschiedenis tot 1500. Koninklijk Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG), Maastricht 2015, 267-284
  15. Hartmann. J. (1986) De reconstructie van een middeleeuws landschap : nederzettingsgeschiedenis en instellingen van de heerlijkheden Eijsden en Breust bij Maastricht ( !Oe-1 9e eeuw). Assen: Va n Gorcum.
  16. Heijnens, F. (2019) Regesten 1202-1474 met index op persoonsnamen. Archief van het Norbertinessenklooster van Sint-Gerlach te Houthem
  17. Bijsterveld, noot 11, p 235

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven